Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
4 INLEIDING.
op papyrus, steen, perkament of papier. Eerst met het
schrift begint de geschiedenis.
§ 3. Een vast jaartal op te geven voor het begin der
geschiedenis is onmogelijk. Bij ieder volk zal het ver-
schillend zijn, bij het eene vier duizend, het andere twee
duizend jaar vóór Christus en bij andere nog later. Na
beter bekende gedeelten volgen tijdvakken, die geheel
in het duister verscholen zijn, en waarvan ons geen enkel
bericht is overgebleven. Later worden de bronnen talrijker
en neemt de stroom der geschiedenis zijn geregeld ver-
loop tot den tegenwoordigen tijd toe. Hoewel de ver-
andering slechts geleidelijk plaats heeft, zien wij na een
zeker tijdsverloop de maatschappij door een reeks van
gebeurtenissen een geheel verschillend karakter krijgen.
Naar dat verschillend karakter verdeelen wij de geschie-
denis in hoofdtijdvakken, waarvan die belangrijke ge-
beurtenissen de grenssteenen vormen.
In de Oude Geschiedenis staan de volken geheel op
zichzelf; en komen zij met elkaar in aanraking, dan is
het om hun naburen aan zich te onderwerpen, of zelf
onderworpen te worden. Eene reeks wereldmonarchieën,
de Assyrische, Perzische, Macedonische en Romeinsche
volgen op elkander. Wij behandelen daarom dit tijdperk
ethnographisch, dat wil zeggen, ieder volk op zichzelf;
eerst de Oostersche Volken^ later de Grieken en Romeinen.
De ondergang van het West-Romeinsche Rijk in 476
wordt gewoonlijk als het eindjaar der Oude Geschiedenis
aangenomen, maar het geheele tijdvak van 300—800 na