Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
85,
pothetische zinnen voor, en dient dus ook wel ter uitdrukking
van hetgeen niet werkelijk is, maar dit niet werkelijk bestaande
wordt dan toch altijd voorgesteld als in de werkelijkheid mo-
gelijk, bf als iets, dat bij de vervulling van zekere voorwaar-
de zal verwezentlijkl worden.
De Indicativus heeft in het Nederlandsch acht tijdvormen, die
men onzes inziens het best op de volgende wijze kan ordenen:
Tijdpunten, vanwaar de spreker in
zijne beschouwing uitgaat.
]. Tegenwoordig. II Verleden.
. f Onvoleind: a. Ik spreek. a. Ik sprak.
® n y ifc I Voleind: b. Ik heb gespro- (3. Ik had gespro-
ken. ken.
. f Onvoleind: c. Ik zal spreken, y. Ik zon spreken.
( Voleind: d. Ik zal gespro- t)\ Ik zou gespro-
ken hebben. ken hebben.
Er zijn twee punten of tijdstippen, vanwaar de spreker met
zijne beschouwing uitgaat, en waartoe hij alles in betrekking
brengt, namelijk: I. het tegenwoordige oogenblik of het oogen-
blik, waarop hij spreekt, en II. zekere verleden tijd, waarin
hij zich met zijne gedachten verplaatst. De vormen a, b, c en
d hebben betrekking tot het tegenwoordige; a, , y en c^ tot
het verledene tijdstip. De betrekking tot elk dezer twee tijd-
stippen is dubbel: die van geUjktijdigheid en die van toekomst.
De vormen a, b, « en /? staan tot een van de twee genoemde
tijdstippen in de betrekking van gelijktijdigheid; c, d, y en
S in die van toekomst. De vormen a, c, a en y stellen de
werking of den toestand voor als onvoleind op het oogenblik,
waarvan gesproken wordt; terwijl b, d, /? en J de werking of
den toestand als op dat oogenblik voleind te beschouwen geven.
Het oogenblik, waarvan gesproken wordt, is bij a, b, a en /?
één en hetzelfde als het punt van uitgang, maar bij c, d, y
en d is het alsdan nog toekomstig.