Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
95,
// leeren. Een Mohammedaan mag meer dan één vrouw hebben,
n Ik moet er om lachend
Wij gelooven ons niet te sterk uit te drukken, wanneer wij
zeggen, dat de zin dezer woorden niet zeer duidelijk is. Slechts
met moeite zal men er uit begrijpen, wat de heer roorda
eigentlijk heeft willen leeren. Bedriegen wij ons niet, dan komt
het daarop neer, dat men alleen zoodanige zinnen voor pro-
blematische en apodictische te houden heeft, waarin logische
mogelijkheid en noodzakelijkheid wordt uitgedrukt, en dat bij
gevolg die, welke physische of moreele mogelijkheid of
noodzakelijkheid te kennen geven, assertorisch zijn. Waarom
dit zoo is, wordt niet geleerd; en niemand, die nog leerling is, zal
het uit die woorden kunnen opmaken. Hoeveel duidelijker had
Schrijver kuimen wezen, indien hij te voren eene goede verklaring
van gedachte en zin gegeven, en daarbij ook de koppeling niet
vergeten had. Hij had dan hier slechts behoeven te herinneren
of te doen opmerken, dat de soortonderscheiding op de koppe-
ling berust; dat kunnen en moeten, alleen als zij logische
mogelijkheid en noodzakelijkheid uitdrukken, even als de woor-
den mogelijk, noodzakelijk enz., op de koppeling betrekking
hebben, maar in elk ander geval tot het predicaat behooren, en
dan op de soort der zinnen geenen invloed hebben, gelijk wij
boven, blz. 64 en vv. hebben aangetoond.
Op blz. 19 gaat Schrijver tot de beschouwing van eene ge-
heel nieuwe soortverdeeling der zinnen over, die hij de onder-
scheiding in indicatieve en cogitatieve zinnen noemt. Daar onze
inzichten in die zaak nog al uiteenloopen, zal ik eerst mijne
gedachten dienaangaande blootleggen, en daarna aantoonen, waari n
cn waarom ik meen van den heer roorda te moeten verschillen.
Al onze kennis wordt verkregen bf onmiddellijk, door aan-
schouwing van hetgeen buiten en binnen ons plaats heeft, bf
middellijk, door wettige redenering cn gevolgtrekking uit het