Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
76,
Op blz. 11 worden de hypothetische zinnen als eene soort
van problematische opgegeven: n Tot de problematische zinnen
//behooren ook de hypothetische, dat is onderstellende
//zinnen." Wy hebben op blz. 60 en 68 aangetoond, dat de verdee-
ling in problematische, assertorische en apodictische zinnen op eenen
anderen grondslag berust, dan de onderscheiding in hypotheti-
sche en categorische, waaruit reeds a priori blijkt, dat deze op-
gave het gevolg van eene scheeve beschouwing moet zijn. Zij
verschilt dan ook niet veel van het beweren, dat de gelijkbee-
nige driehoeken tot de rechthoekige, of dat de Eransche boeken
tot de romans behooren. De onjuistheid loopt alleen daarom
minder in het oog, omdat zinnen, en dat wel hypothetische en
problematische zinnen, minder goed bekende zaken zijn dan
romans, en zich niet zoo levendig laten voorstellen. Een Eransch
boek kan een roman, en een gelijkbeenige driehoek kan ook
een rechthoekige zijn, en evenzoo is het mogelijk, dat een hy-
pothetische zin te gelijk problematisch is, maar hij kan even
goed assertorisch of apodictisch wezen, als het Eransche boek
een bijbel, en de gelijkbeenige driehoek scheefhoekig kan zijn.
De verwarring komt waarschijnlijk weder uit dezelfde bron
voort, waaruit ook andere dwalingen zijn voortgevloeid: uit
de verkeerde beschouwing van de natuur van eenen zin. Im-
mers in eiken hypothetischen zin ligt een problematisch oor-
deel opgesloten, zoo als in het voorbeeld door Schrijver bij-
gebracht : // Indien dit metaal is, dan is het smeltbaard Zie ik
een voorwerp, dat de kleur en den glans van goud heeft, en
zeg ik dan: Indien dat voorwerp inderdaad goud, geen verguld
hout of steen is, zoo is het smeltbaar, dan is het bij mij lo-
gisch mogelijk, dat het goud, en dus ook smeltbaar is. Ik kan het
een zoowel als het ander denken, maar het zijn niet die mogelijkhe-
den, die ik wil verkondigen; ik verklaar assertorisch, dat het
al of niet smeltbaar zijn van het voorwerp afhangt van
de natuur der stof, waaruit het bestaat, en deze afhankelijk-