Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
69,
en het gel ijk zijn afhankelijk van eene omstandigheid, waar-
mede die toestand noodwendig moet gepaard gaan, en druk
mij in hypothetische zinnen uit. In het laatste voorbeeld is een
driehoek in het algemeen het onderwerp, en de bijkomende om-
standigheid is het gelijkzijdig zijn: neem ik echter de voorwaarde
terstond in de voorstelling van het onderwerp op, en zeg: Een
driehoeJc met gelijke zijden heeft gelijke hoeken, dan wordt
de zin blijkbaar categorisch. Den grond, waarop de verdeeling der
zinnen in categorische en hypothetische berust, is men gewoon
de relatie der zinnen te noemen. Daar iets noodwendig bf voor-
waardelijk bf onvoorwaardelijk gesteld wordt, en geen derde
geval denkbaar is, zoo volgt, dat de verdeeling naar de relatie
der zinnen slechts tweeledig is, en dat alle mogelijke zinnen
tot eene dezer twee soorten kunnen gebracht worden. Ook
is het bijna overtollig te doen opmerken, dat het onder-
scheid tusschen hypothetische en categorische zinnen wederom
niets anders is dan eene bijzondere wijze van het predicaat met
het subject te verbinden of er van te scheiden, zoodat wij ook
hier met de koppeling te doen gehad hebben.
In al de tot nog toe bijgebrachte voorbeelden van zinnen
werd het gansche predicaat aan het gansche subject toegekend
of ontzegd; maar er zijn ook zinnen, waarin bf het subject bf
het predicaat uit verschillende voorstellingen bestaat, en de
verbinding met of de scheiding van slechts ééne dezer voor-
stellingen bedoeld wordt, terwijl de overige worden buiten ge-
sloten. Een paar voorbeelden zullen dit duidelijk kunnen ma-
ken. A beschuldigt B van iets. maar B ontkent. Zegt nu een
derde tot A: Of gij, bf B moet liegen, dan bestaat het subject
uit twee deelen A en B, en het predicaat liegen wordt slechts
aan één toegekend. Omgekeerd is in den zin: Be mensch is
sterfelijk of onsterfelijk, het predicaat in tweeën gedeeld, en
één dezer deelen wordt aan het subject toegekend met uitsluiting