Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
67,
geen in een verleden tijd gedacht of gezegd is, kunnen de woorden
moeten en hunnen, als zij op de koppeling betrekking hebben, ook
als modale verba in den zoogenoemden onvolmaakt verleden tijd
voorkomen, omdat deze tijdvorm dikwijls iets voorstelt, als in
zekeren verleden tijd tegenwoordig geweest zijnde: Men be-
schuldigde hem nog niet van onwil] de heer A. meende, dat
zijn vriend wel verhinderd kon of moest zijn. Is dit het
geval, dan blijven kon en moest eigentlijk tegenwoordige
tijden, omdat zij uitdrukkingen zijn van iets, dat in zekeren
verleden tijd tegenwoordig was.
Maar kunnen genoemde hulpwoorden in problematische en
apodictische zinnen alleen in den tegenwoordigen of zoogenoem-
den onvolmaakt verleden tijd staan, zoo volgt, dat alle zinnen,
waarin kunnen en moeten in eenen anderen tijd, b. v. in den
volmaakt of meer dan volmaakt verledenen of in den toekomenden
tijd, voorkomen, geene problematische of apodictische zinnen,
maar eenvoudig assertorische zijn: Ik heb het niet kunnen
doen, want ik heb eene vergadering moeten bijwonen. Hij
zal wel moeten gehoorzamen. Eene vergelijking van de vol-
gende zinnen zal ons beweren duidelijk maken: De heer A
kan aan dit besluit van den Raad geen deel gehad hebben
(log. onmogel.), want hij heeft de vergadering niet kunnen
bijwonen (phys. onmogel.), dewijl hij dien dag uit de stad ge-
weest is. — B mo et zijne toestemming gegeven hebben (log.
noodz.), want zijn naam bevindt zich onder de handteekenin-
gen. Hij moet dit vrijwillig gedaan hebben (log. noodz.), en
heeft het zeker niet moeten doen (moreele noodzak.), want
zijn groot vermogen maakt hem onafhankelijk.
Tusschen de problematische en assertorische zinnen behandelt
de heer roorda, zoo als wij reeds aangemerkt hebben, de
hypothetische, categorische en disjunctieve. Dikwijls beschouwt
men deze drie soorten als naast elkander liggende en als te