Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
66,
Dezelfde moeilijkheid levert moeien op in zinnen, die nood-
wendigheid uitdrukken. Indien ik zeg: Hij moet te huis
blijven, (physische noodzakelijkheid), want hij is ongesteld) of
Hij moet eenen brief schrijven (moreele noodzak.), dien hij nog
verzenden moet (mor. noodzak.), zoo bezig ik eenvoudig as-
sertorische zinnen. Niet het te huis blij ven, het briefschrij-
ven en verzenden zijn hier de predicaten, maar het moeten
te huis blijven, het moeten schrijven en verzen-
den, worden hier aan het subject toegeschreven. Zeg ik daar-
entegen: Yan de drie beschuldigden moet A den moord heb-
ben gepleegd, want B en C staan als brave lieden beleend,
dan bezig ik eenen zin, die bloot logische noodzakelijkheid be-
helst. Hier is geene sprake van physische of moreele noodzake-
lijkheid, die den dader tot het plegen der misdaad zou hebben
gedwongen. Moet staat dus buiten het predicaat: eenen moord
plegen, het drukt eene wijziging der koppeling uit; de zin is
derhalve apodictisch. Anders is het gelegen met de volgende
zinnen: "Hij moest zijnen aanvaller dooden (phys. noodz.),
wilde hij zijn eigen leven redden] of: Ben wraakzuchtig en
oploopend man moest in zulke omstandigheden wel eenen moord
begaan (moreele noodz.). De twee laatste zinnen zijn derhalve
niets meer dan assertorisch.
Heeft men een en ander wel gevat, en is men overtuigd, dat
de modale woorden misschien, mogelijk, noodwendig, moetenen
kunnen niet tot het predicaat behooren, en alleen op de koppe-
ling betrekking hebben, dan zal men ook inzien, dat kunnen
en moeten in problematische en apodictische zinnen alleen in
den tegenwoordigen tijd kunnen staan. Immers de derde actus
der gedachtevorming, de koppeling, heeft steeds in het oogen-
blik van het denken en spreken plaats, en is dus iets tegen-
woordigs: Ik beschuldig hem nog niet van onwil', hij kan
verhinderd zijn; d. i. ik kan nog denken, dat hij verhinderd
is; hij is mogelijk verhinderd. Alleen in het verhaal van het-