Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
65,
woorden noodwendig, noodzakelijk, of het werkwoord moeten
aan, b. v.: Be stralen van eenen cirkel zijn noodwendig ge-
lijk , of: De stralen van eenen cirkel moeten gelijk zijn.
Of de apodictische zin is een bijzin, en de assertorische hoofd-
zin drukt er de noodwendigheid van uit; b. v.: Het is nood-
wendig (hoofdz.), dat de stralen van eenen cirkel ge-
lijk zijn. (apod. bijzin). — In enkele gevallen vervangt in
problematische zinnen mogen de plaats van kunnen, b. v. als
men zegt: Hij mag het zelf wel gebroken hebben, d. i. hij
heeft het misschien wel zelf gebroken.
Het onderkennen van problematische zinnen kan alleen dan
eenige moeilijkheid opleveren, wanneer er het werkwoord kun-
nen in voorkomt, dewijl dit ook dient om physische mogelijk-
heid uit te drukken, in welk geval de zin assertorisch is. Zeg
ik b. V. van iemand, die heeft leeren schrijven, maar later zijne
rechterhand heeft verloren: Hij kan thans niet meer schrijven,
maar hij heeft kunnen schrijven, dan bezig ik twee asser-
torische zinnen; want ik verklaar als zeker, dat de man vroe-
ger het vermogen van te schrijven gehad heeft, en dat hij het
nu niet meer bezit. Het woord kunnen behoort hier dus tot het
predicaat, kunnen schrijven, en dit wordt stelliger wijze eerst
aan het subject ontzegd, daarna toegekend. Duidelijk blijkt het
tweederlei gebruik van kunnen uit het volgende voorbeeld: De
beschuldigde kan den brandbrief onmogelijk geschreven hebben
(log. onmog.), want hij kan niet schrijven (phys. onmog.).
Hier is de eerste zin ontkennend problematisch, d. i. bevesti-
gend apodictisch, de tweede ontkennend assertorisch; in den
eersten ontken ik de mogelijkheid van het predicaat geschreven
hebben, of liever, ik beweer de noodwendigheid van niet geschre-
ven te hebben; in den tweeden ontken ik het predicaat kimnen
schrijven. In den eersten staat kan weder buiten het gezegde,
in den tweeden maakt het er een noodzakelijk bestanddeel
van uit.