Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
69,
zin afhangen, en niet van den eenen of anderen bijzin, die als
deel in den hoofdzin voorkomt. Dit wordt te blijkbaarder, wan-
neer men in aanmerking neemt, dat, zoo als boven reeds ge-
zegd is, noch de copula noch het gezegde, dat de uitdrukking
der koppeling veelal in zich bevat, ooit door eenen bijzin wor-
den uitgedrukt, De koppeling, die de soort van den zin bepaalt,
zit dus altijd in den hoofdzin, nooit in eenen bijzin. Een paar
voorbeelden zullen dit duidelijk maken. De volzin: Vraag hem,
wat hij te zeggen heeft, is een hevel of verzoek, omdat de
hoofdzin: Vraag hem, een hevel is; het is geene vraag, niette-
genstaande de bijzin: wat hij te zeggen heeft, in eenen hoofd-
zin veranderd, in de vraag: Wat heeft hij te overgaat.
Omgekeerd is: Weet gij, dat a dezen morgen plotseling overle-
den is?, eene vraag, alhoewel de bijzin de stelling bevat: a is
dezen morgen plotseling overleden. Z ameng estelde zinnen
moeten derhalve bij het analyseren naar den hoofd-
zin geclassificeerd worden.
Daar een hijzin altijd slechts een deel van eenen anderen zin
uitmaakt, zijn de bijzinnen niet als hoofddeelen, maar als
onder deelen van eene rede aan te merken, en kan hunne na-
dere beschouwing eerst dan met vrucht plaats hebben, wanneer
wij de deelen van den zin in het algemeen hebben leeren ken-
nen. In het Eerste Hoofdstuk der Logische Analyse, dat de
hoofddeelen eener rede beschouwt, kan dus alleen sprake van
hoofdzinnen zijn; en hetgeen daarin, zonder nadere bepaliTig,
van eenen zin gezegd wordt, is alleen op de hoofdzinneniot
te passen.
Na deze uitweiding, des te noodzakelijker naarmate de heer
roorda later vluchtiger over de verhouding tusschen hoofd- en
bijzinnen heen loopt, en weieens naar den hijzin classificeert,
kunnen wij tot zijn boek terugkeeren en zijne onderschei-
ding in problematische, hypothetische en andere zinnen nagaan.
Wij hebben boven reeds gezegd, dat Schrijver wel driederlei