Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
55,
voor hem — wil mededeeleii. De tusschenzin: waarin ik las,
daarentegen is niets anders dan eene gedachte, die de hoorder
zelf reeds gehad heeft, en welke ik hem slechts herinner: Ik
las gisteren in een hoek. Ik vermeld ze dus niet als iets
nieuws, niet als eene gedachte, uitsluitend van mij afkomstig;
hij heeft ze reeds gisteren zelf gevormd, en ik breng ze hem
slechts weder te binnen, niet om haars zelfs wil, maar om eene
andere gedachte, die ik eigentlijk wil mededeelen, duidelijk te
maken of te voltooijen. Hetzelfde onderscheid zal men opmer-
ken in de zinnen: Belooft ge mij, dat gij zult komen?
Ik verzeker u, dat ik het doen zal. Ik raad, wat gij
zeggen wilt. Hier heeft men reeds over het komen en
het doen van iets gesproken, en de aangesprokene heeft
op de eene of andere wijze laten blijken, en dus ook ge-
dacht, dat hij iets zeggen wil. Het verschil is echter niet
altijd zoo in het oog loopend als in de bijgebrachte voor-
beelden, en niet altijd kan, gelijk in het eerste voorbeeld,
de bijzin van den hoofdzin gescheiden worden, zonder dat
deze alle beteekenis verliest, gelijk reeds uit de laatste voor-
beelden blijkt; maar altijd blijft dit onderscheid bestaan, dat
de hoofdzin met den bijzin tezamengenomen de eigentlijke
gedachte des sprekers uitdrukt, terwijl de bijzin op zich zelven,
als reeds te voren door den spreker zelven of door een ander
gevormd, nu als iets, dat gereed ligt, opgevat en met een of
ander ondergeschikt doel vermeld wordt. Men kan zeggen: een
hoofdzin drukt eene onmiddellijk of direct gevormde gedachte,
een bijzin eene middellijk, indirect of dubbel gevormde ge-
dachte uit. — Uit het gezegde blijkt intusschen, dat het on-
derscheid tusschen eenen hoofd- en eenen bijzin neerkomt op
de wijze, waarop de denkende geest de gedachte beschouwt,
d. i. op de verhouding tusschen de koppeling en ons ik.
Een ander onderscheid bestaat daarin, dat een bijzin steeds
een deel van eenen anderen zin uitmaakt, en daarin bf als het