Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
54.
het volgende volstrekt onmisbaar is. Wij bedoelen de onder-
scheiding der hoofd- en bijzinnen, die bij onzen Schrijver hier
over het hoofd gezien, of misschien als bekend ondersteld wordt.
Het is waar, de leer der bijzinnen kan eerst dan volkomen
worden afgehandeld, wanneer de lezer kennis gemaakt heeft met
de onderscheidene deelen, waaruit een zin bestaat, als hij weet,
wat een subject, wat een object is, en wat complementen zijn.
Schrijver brengt ze dan ook werkelijk later ter sprake, doch reeds
hier, in het hoofdstuk, dat over de soortverdeeling der zinnen
handelt, kan de kennis van hunnen aard, beteekenis en ge-
bruik, en van hunne verhouding tot den hoofdzin volstrekt
niet gemist worden. Wij zullen straks overvloedig gelegenheid
hebben om op te merken, hoe belemmerend het is, dat de leer-
ling met hunne natuur onbekend is gelaten, en tot hoeveel
misverstand zulks aanleiding heeft gegeven. Wij moeten daarom
onzen Schrijver voor een oogenblik verlaten om na te gaan,
waarin het onderscheid tusschen de hoofd- en bijzinnen is ge-
legen, en in welke verhouding zij tot elkander en tot den
spreker staan.
Een bijzin is natuurlijk zoowel als een hoofdzin de uitdruk-
king van de bijzondere opvatting eener gedachte des sprekers
of schrijvers; doch een hoofdzin is de uitdrukking der gedach-
te, die hij op het oogenblik van het spreken vormt, en om haars
zelfs wil mededeelt, terwijl een bijzin eene gedachte uitdrukt, die
hij als reeds vroeger gevormd laat voorkomen, en dikwijls niet
om haar zelve, maar alleen om den wille van eene andere ge-
dachte vermeldt. Om dit duidelijk te maken, zullen wij een
voorbeeld nemen, waarin dit verschil sterk uitkomt. Een be-
kende bezoekt mij, en vindt mij lezende. Den volgenden dag
zie ik hem weder, en zeg: Het boek, waar in ik gisteren
las, bevalt mij meer en meer. Nu bevat de zin: Het boek be-
valt mij meer en meer, de gedachte, die ik op het oogenblik
van het spreken vorm, en den hoorder als iets nieuws — althans