Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
52,
in bijzondere gevallen stelling genoemd, is derhalve de uitdruk-
king eener gedachte, die wij beschouwen, of althans voorstel-
len, als met de werkelijkheid in overeenstemming te zijn. In-
dien zij niet met de werkelijkheid overeenstemt, dan is het
oordeel eene leugen. Zoo is b. v. de zin: Zijn broeder is ziek,
een oordeel, omdat de gedachte, die hij uitdrukt, voorgesteld
wordt als beantwoordende aan de werkelijkheid. Met andere
woorden: de zin verbindt de voorstelling ziek met die van
zijn broeder, en heeft dien vorm, die den hoorder doet denken,
dat de hoedanigheid ziek op dat oogenblik werkelijk met 'zijn
broeder verbonden is. Zegt men daarentegen: Zijn broeder ijlt
niet, dan wordt de voorstelling ijlen van de voorstelling zijn
broeder gescheiden, en de zin geeft te kennen, dat ook in
de werkelijkheid de werking ijlen van den persoon van zijnen
broeder gescheiden is. Overeenstemming tusschen het ver-
binden of scheiden in de gedachte en in de werkelijkheid maakt
derhalve het kenmerkende der oordeelen uit, en de spraakkun-
stige vorm, die in den zin deze overeenstemming uitdrukt, en
hem dus als een oordeel kenmerkt, is die vorm van het werk-
woord, welken men gewoon is zeer ongepast de aantoonende
wijs of modus indicativus te noemen.
Eene vraag is een onvolledig oordeel, waarin een der leden
den vrager geheel of gedeeltelijk onbekend is, en hetwelk door
hem geuit wordt met het doel om het onbekende van den aan-
gesproken persoon te vernemen. In subjectieve vragen is de
koppeling het onbekende lid: Is hij rijk? Komen zij mede?
In de objectieve vragen is bf het on d er w er p onbekend: Wie
had daar gescheld?; bf het gezegde: Wat is dat? Wat
doet gij? Wat voor een man is hij?; bf eene bepaling van
het onderwerp: Wiens hoed staat daar? Welk hoek leest
gij?; bf eene bepaling van het gezegde: Wat schrijft
gij? Wanneer komt hij? Waar gaat gij heen? Daar eigent-
lijke vragen onvolledige oordeelen zijn, staan zij, als hoofd-