Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
maken, ten andere om verwarring te voorkomen met uitdruk-
kingen, die er toe naderen, maar toch niet ophouden waarlijk
vragen te zijn. Er zijn namelijk gevallen, waarin men iets voor
waarschijnlijk houdt, waarin men niet op volkomen onzijdig
terrein staat, maar om redenen tot de eene of andere zijde over-
helt, en werkelijk nadere terechtwijzing verlangt. Vraagt men
Komt hij niet?, dan heeft men vermoed, dat iemand komen
zou; zegt men: Is hij wel ziek?, dan heeft men in de meening
verkeerd, dat de bedoelde persoon niet ziek was. Men is dan
bevooroordeeld; de vragen gaan dan met verwondering, blijd-
schap, spijt, hoop of vrees gepaard, en men begeert nog steeds
een antwoord tot nadere bevestiging van het gehoorde, dewijl
men vreest, dat men den spreker niet goed verstaan, of dat
deze zich vergist heeft. Men zou deze soort twijfelende vragen
knnnen noemen ter onderscheiding van de eerst behandelde,
waarbij men geen vermoeden heeft of aan den dag legt, en
welke men zuivere vragen zou kunnen heeten. Helt men tot
het toekennen over, dan heeft de vraag den negatieven
vorm: Wilt gij niet! Ik had gedacht, dat gij het gaarne
doen zoudt; omgekeerd: Heeft hij het wel, inderdaad of
waarlijk gedaan? ik hield hem voor onschuldig. In het laat-
ste geval bevat de vraag doorgaans een bijwoord van bevestiging
wel, waarlijk enz.; doch ook de stembuiging alleen kan te ken-
nen geven, dat men niet onbevooroordeeld was. Heeft hij het
gedaan? Deed het hem leed? en ver heug de hij zich niet
veeleer ?
De onderscheiding in zuivere, twijfelende en oneigentlijke
vragen is door den heer eookda niet in het oog gehouden.
Immers op blz. 10 komen een paar voorbeelden voor, waarbij
de twijfelende en de schijnbare vragen, niettegenstaande het
groote onderscheid, blijkbaar verward worden. //Dikwijls is een
n vraag niet de uitdrukking van onzekerheid of van twijfel aan
*de waarheid of zekerheid van een stelling, maar van