Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
zegt gij? Wie gaat niet mede? dan verklaart men stilzwijgend:
Iemand klopt, Oij zegt iets. Iemand wil niet medegaan. Ob-
jectieve vragen zijn dus tot eene der twee eerstgenoemde soor-
ten van zinnen te brengen, hetzij tot de positieve, hetzij tot de
negatieve. Het verwondert ons dan ook niet weinig onder de
door den heer roorda bijgebragte voorbeelden van vragen,
«waardoor men de onzekerheid of twijfel uitdrukt, of men
//iets aan eenen persoon moet toekennen of ontzeggen", ook de
volgende objectieve aan te trefien : // Wanneer is hij vertrokken ?
// Waar woont gij? Wat zal ik beginnen? Hoe zal ik het aan-
Hleggen? Wie heeft dat gezegd? Hier bestaat immers volstrekt
geen twijfel, of men bevestigen of ontkennen moet. De zin, die
in de vraag ligt opgesloten, is in al deze voorbeelden bepaald
positief: hij is vertrokken • de aangesprokene persoon woont
toch ergens-, ik wil toch altijd iets beginnen', ik moet het op
eenige wijze aanleggen; iemand moet het gezegd hebben. Het
is duidelijk, dat deze voorbeelden achterwege gebleven waren,
indien de heer roorda gedacht had aan het verschil tusschen
subjectieve en objectieve vragen, tusschen IqijjXTqfxaxa en nv-
ö/xaza, eene onderscheiding reeds in de Morgenstunden van den
wijsgeer m. Mendelssohn uiteengezet, en bij het onderwijs, in-
zonderheid van de classieke talen, van veel helm^. Tie objectieve
vragen worden in de nieuwere talen door opzettelijke vraag-
woorden aangeduid, namelijk door vragende voornaamwoorden
en bijwoorden; de subjectieve alleen door de zoogenoemde vra-
gende woordschikking. In de classieke talen echter, zou dit
laatste middel ontoereikend zijn; zij bezigen daarom ook in de
subjectieve vragen bijzondere vraagwoorden, als ne, num, an,
, aQa. Zijn de leerlingen met het onderscheid tusschen sub-
jectieve en objectieve vragen bekend gemaakt, zoo moet hun
natuurlijk het gebruik en de kracht der laatst vermelde vraag-
woorden duidelijker wezen.
Er is eene soort van zinnen, die wel den vorm van vragen