Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
in spreuken, grondregels en spreekwoorden dikwijls ontbreekt:
b. v. in: Geen regel zonder uitzondering. Geen goud zonder schuim.
Boter bij de visch. Oud, houd. Vrijheid, blijheid. Vroeg rijp,
vroeg rot; vroeg wijs, vroeg zot.
Behalve in deze gevallen, gelooven wij, mag het werkwoord, juist
omdat het de koppeling in zich bevat, niet ontbreken. Wan-
neer dus het predicaat niet een voorbijgaande toestand of eene
onophoudelijk voortgaande werking is, maar in eene blijvende
hoedanigheid of betrekking bestaat; met andere woorden, wan-
neer het predicaat door een bijvoegelijk of zelfstandig naam-
woord uitgedrukt wordt, dan is het, behalve in de zoo even
vermelde gevallen, niet voldoende het subjects- en het predi-
caatswoord maar eenvoudig naast elkander te plaatsen, b. v.
Zijn vader braaf. Zijn broeder hoopman. De uitdrukking der
koppeling, die geacht wordt in het werkwoord te liggen, ont-
breekt; de gedachte is dan niet volmaakt, de zin niet af, en men
gevoelt merkbaar het gemis van een werkwoord, omdat de kop-
peling achterwege blijft. Daarom heeft men naar een verbum
omgezien, dat de koppeling, zonder meer, kon uitdrukken.
Dat de keus op het werkwoord zijn is gevallen, kan niet
verwonderen. Zijn drukt het aanwezigzijn op eene plaats of ook
het zuivere bestaan zonder eenig bijbegrip uit. Het vertegen-
woordigt dus het begrip, dat den minsten inhoud heeft. Men
denke slechts aan hegei.s stelling: Das reine Seyn und das
reine Nichts ist dasselbe. g. w. t. hegei.s Wissenschaft der
Logik, Th. I, S. 78. Zijn kon derhalve het gemakkelijkst van
zijne eigentlijke beteekenis ontdaan worden; of liever, dat wei-
nige, dat het beteekent, laat zich het gemakkelijkst ter zijde zet-
ten en vergeten. Zijn was dus het geschiktste woord om dat-
gene te doen, wat in andere gevallen door de aanhechting der
persoonsuitgangen geschiedt. Zoo ontstonden de zinnen als:
Zijn vader is braaf. Zijn broeder is koopman. In zulke uit-
drukkingen IS zijn niets meer dan een vormwoord. Anders is