Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
den zin slechts gebrekkig of in het geheel niet uitdrukkelijk
vertegenwoordigd wordt. Wel beschouwd kan zulks niet be-
vreemden. De koppeling bestaat niet in het zich voorstellen van
iets zinnelijks, niet in het maken van eene voorstelling, voor
welke men een woord had uit te denken, ten einde haar, ge-
lijk andere begrippen, als het ware eenigen tijd ter nadere be-
schouwing te kunnen vasthouden. De koppeling is oorspronkelijk,
gelijk het eerst aangevoerde voorbeeld bewijst, niets anders dan
eene vereeniging van het subject en het predicaat; geen won-
der dan, dat de indo-germaansche talen die vereeniging door
de zamenkoppeling der woorden symbolisch afbeelden. Zij ver-
eenigen wel is waar nooit het substantivum, dat het subject
vertegenwoordigt, met het predicaat tot één woord, maar zij
hechten de persoonlijke voornaamwoorden, of ten minste de
wortels, waaruit deze zich ontwikkeld hebben, aan den stam
des werkwoords, waardoor dan schijnbaar één enkel woord ont-
staat, hetwelk eenen geheelen volzin uitmaakt, b. v. het goth.
salbotJi (hij zalft) en het latijnsche amat (hij bemint). Inder-
daad echter heeft men twee woorden of ten minste twee wor-
tels: de verbale of werkwoordelijke stammen salbo en ama en
den wortel van het voornaamwoord des derden persoons th of
t-, terwijl de actus der koppeling zinnebeeldig voorgesteld wordt
door de zamenvoeging van beide. Wanneer de verbale wortel
niet op eenen klinker eindigde, werd de pronominale of voor-
naamwoordelijke wortel, ook wel genoemd, door-
gaans niet onmiddellijk met het werkwoord verbonden, maar er
trad in den regel een klinker tusschenbeide, dien men de
bindvocaal pleegt te noemen. Zoo bestaan het sanskr. tud-
d-mi (ik sla), het lat. leg-i-s (gij leest) en het goth. bind-i-th
uit de verbale wortels, iud, leg en bind, de pronominale wor-
tels mi, s en th, en de bindvocalen d en i. Daar echter de
bindvocaal achter medeklinkers soms ontbreekt, b. v. in het
goth. is-t (hij is), lat. fer-t (hij draagt), es-i, voor ed-t (hij