Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
moeilijk zou zijn een gepast woord te verzinnen, hetwelk voor
dit geval de betrekking tusschen het onderwerp en het gezegde
uitdrukt.
Wij zouden nog verscheidene andere voorbeelden kunnen aan-
voeren, in ieder van welke de derde actus al weder anders ge-
wijzigd voorkomt, doch de bijgebrachte zijn toereikend om het
bestaan dezer werking te bewijzen en hare natuur in het alge-
meen te doen kennen. Tevens is de onmogelijkheid gebleken
van het vinden van een woord, dat al de wijzigingen van den
derden actus te gelijk uitdrukken kan. En toch houden wij het
voor volstrekt noodzakelijk, dat men eene kunstbenaming vast-
stelle, die in alle gevallen kan gebruikt worden. De duidelijk-
heid eischt immers, dat men in eene wetenschap dezelfde zaak
steeds met denzelfden naam bestempele, al is het ook, dat zij
onder verschillende vormen voorkomt en de benaming niet voor
ieder geval volkomen passend is. Wij zullen daarom, in af-
wachting, dat men een geschikter woord vindt, de derde ver-
richting van den geest bij de gedachtevorming door alle wij-
zigingen heen hoppeling noemen, een woord, hetwelk zich ook
daardoor laat verdedigen, dat er bij alle gedachtevormingen,
hoe ook gewijzigd, altijd eene vergelijking', eene èyee^zère«^«^^,
of een lijeenkouden, hoewel dan ook juist geene verbinding,
van het onderwerp en het gezegde plaats heeft.
Op hoeveel verschillende wijzen echter het koppelen ook
moge geschieden, indien men de zooeven beschonwde vragen
uitzondert, dan bestaat het altijd bf in verbinden oim scheiden.
Verbinding en scheiding kan men derhalve als de grondvormen
der hoppeling aanmerken, zoodat men zeggen kan, dat in (sub-
jectieve) vragen de grondvorm der koppeling aan den vra-
ger onbekend is.
Is men overtuigd geworden, dat er bij elke vorming eener
gedachte drie werkingen van den geest plaats hebben, dan zal
men ook inzien, dat de derde actus het eigentlijke punt van