Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
welke gedacht, of over welke gesproken wordt, zoo min als
van de werkingen, toestanden of hoedanigheden, die men er
aan toeschrijft; met andere woorden, zij zal niet kunnen be-
rusten op den inhoud of de beteekenis der onderwerpen en
gezegden; dan toch zou het aantal soorten oneindig worden.
Men gevoelt dat, indien de soortverdeeling van nut zal wezen, de
natuur en vorm van den zin, in zijn geheel genomen, daardoor
moeten in het licht gesteld worden. Zoo zal men b. v. de zinnen:
Be zon schijnt, en Be Hemel verhoede het, niet daarom tot
twee verschillende soorten brengen, om dat in den eersten van de
zon en van schijnen, en in den tweeden van den Hemel
en van verhoeden gesproken wordt, maar omdat de betrek-
king dier zinnen tot den spreker en het verband tusschen de
onderwerpen en de gezegden verschillend zijn. De eerste zin
drukt een oordeel, de tweede eenen wensch van den spreker
uit; in den eersten wordt het schijnen als eene werkelijk
plaatshebbende werking van het onderwerp zon voorgesteld,
in den tweeden wordt het verhoeden als mogelijk ondersteld
en gewenscht. Zoo zal men ook gereedelijk erkennen, dat de
volgende zinnen: Het kind slaapt. Slaapt het kind? Terwijl
het kind slaapt. Slaap, kindje, slaap. Het kind slaps. Het
kind zou slapen, alle tot verschillende soorten zijn te brengen,
niettegenstaande de subjecten en predicaten overal dezelfde be-
grippen, kind en slapen, zijn. Éveneens, dat: Het kind slaapt,
en: Be grijzaard waakt, tot dezelfde soort behooren, in weer-
wil van het groote verschil in den inhoud van de onderwer-
pen en gezegden.
De soortverdeelingen moeten haren grondslag hebben bf in
de betrekking van de zinnen tot den spreker, of in de betrek-
king tusschen het onderwerp en het gezegde. Sommige zinnen
drukken eene kennis, een oordeel of eene onderstelling
van den spreker uit; andere zijn uitingen van zijn gevoel,
of van zijn begeer en en wensch en. In sommige wordt het