Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
dat de beschuldigde de misdaad gepleegd heeft, die voor haar
problematisch is, omdat de hoofdzin uitdrukkelijk te kennen
geeft, dat de bijzin slechts eene waarschijnlijkheid bevat. Daar
nu de Logische Analyse, zoo als wij later hopen te bewijzen,
den zamengestelden volzin naar den hoofdzin te beoordeelen
heeft, zoo is de geheele eerste volzin voor de Logische Ana-
lyse assertorisch. De tweede volzin, ofschoon logisch van den-
zelfden aard, heet ook in de Analyse problematisch.
Er bestaat nog eene dwaling, waartegen wij ten ernstigste
moeten waarschuwen. Ofschoon de wetten der Logica voor de
Wetenschap der Talen even verbindend zijn als voor elke andere
wetenschap; ofschoon de bepalingen en soortverdeelingen, de
regels en de gansche inrichting der Grammatica aan hare voor-
schriften moeten onderworpen worden, zoo wachte men zich
wel van de Grammatica geheel op de leest der Logica te schoeijen
en zoo doende te verwringen. Tot dezen misslag vervalt men
onvermijdelijk, wanneer men de beide wetenschappen niet be-
hoorlijk onderscheidt, ze tracht te vereenzelvigen, en de laatste
in de eerste wil terugvinden. De Logica leert, hoe men lo-
gisch denkt, d. i. hoe men te werk moet gaan, wanneer
men zich juiste begrippen vormen en zijne kennis bevattelijk
mededeelen wil; de Grammatica en ook de Logische Analyse
daarentegen leeren, hoe men werkelijk denkt en zijne ge-
dachte uitdrukt, en het is er verre van daan, dat zulks in
allen deele overeenkomstig met de voorschriften der Logica zou
geschieden. De Taal, zonder welke men niet geregeld denken
kan, en zonder welke het denkvermogen zich niet kan ontwik-
kelen, bestond lang vóór de Logica of Denkleer, wier wetten de
uitkomsten van het denken over het denken, en dus het werk
van een zeer ontwikkeld denkvermogen zijn. Die wetten heb-
ben derhalve op de vorming der talen geenen invloed kunnen
oefenen. De Taal drukt zich dan ook niet zelden uit in
vormen, die met de voorschriften der Logica in strijd zijn. Zoo