Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
Wij nemen eenen volzin, en vragen ons zeiven af, of hij slechts
éénen enkelen zin, ééne enkele gedachte bevat, dan of hij uit
meer zinnen bestaat, en dus meer dan ééne gedachte tot een
zamenhangend geheel verbindt. In het laatste geval zoeken wij
naar de hoofdgedachte, dus naar den hoofdzin, en gaan na,
in welke betrekking de overige zinnen, de bijzinnen, tot dien
hoofdzin staan, ten einde te bepalen, tot welke soort de bij-
zinnen behooren. Kennen wij de waarde en de onderlinge be-
trekking der zinnen, dan nemen wij iederen zin op zich zelven,
verdeden hem in zijne twee hoofddeelen, het onderwerp en het
gezegde, zoeken in ieder deel het hoofdwoord, dat door de
overige woorden bepaald wordt, en vragen ons zelven, welke
voorstelling wij aan ieder dezer woorden verbinden, om duide-
lijk in te zien, welk aandeel elke bepaling heeft in de uitdruk-
king van het onderwerp en gezegde. Ook de wijze, waarop het
gezegde met het onderwerp is verbonden, en de betrekking van
den geheelen zin tot den spreker maken voorwerpen van onze
aandacht uit, dewijl die verbinding en betrekking de soort van
den zin bepalen. Wanneer wij eene gansche rede ontleden wil-
len, dan hebben wij iederen volzin op de omschrevene wijze te
behandelen en bovendien het verband tusschen iederen volzin
en den voorgaanden en volgenden te zoeken.
Het analyseren is dus eene handeling of verrichting', doch
om die ten uitvoer te brengen moeten wij met eene zekere
mate van kennis zijn toegerust. Zullen wij al die opgenoemde
en nog eene menigte andere onderscheidingen kunnen maken,
en de kracht en beteekenis van iederen zin en ieder woord be-
palen, dan moeten wij weten, wat men door zin, hoofdzin,
bijzin, onderwerp, bepaling enz. enz. verstaat, in welke ver-
schillende vormen die rededeelen zich voordoen, en welke eigen-
schappen aan iederen vorm verbonden zijn.
En wat hebben wij na afloop der analyse geleerd, welke
kennis hebben wij daardoor gewonnen? Indien wij wel geana-