Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
en evenwel de grammatica leerde begrijpen. Deze tegenwerping
toch is maar half gegrond; immers men maakte zonder einde
zoogenaamde partes en constructie. Het eerste geschiedde wel
is waar met het hoofddoel om de veranderingen der woorden
te leeren kennen, doch noodwendig ging er altijd eenig, hoe-
wel gebrekkig, logisch analyseren mede gepaard. Maar vooral
bij het construeren was men wel gedwongen de logische functiën
der woorden op te merken, en men vormde zich zoo doende,
bijna zijns ondanks, de noodzakelijkste begrippen. Doch al
werd hierdoor in de dringendste behoefte voorzien, wie zal
aan opzettelijke oefeningen niet de voorkeur geven? Wij zullen
dan ook geene woorden meer verspillen om taal- en verstands-
oefeningen aan te prijzen, van wier nut alle opvoedkundigen
overtuigd zijn, en die door de Hooge Regering, blijkens artikk.
44—46 van de Wet op het Lager Onderwijs, als een hoofdbe-
standdeel van het taalonderwijs worden beschouwd.
Hecht men zulk eene waarde aan de zinsontleding, dan ver-
dienen de leer- en handboeken, daarbij te gebruiken, in groole
mate de belangstelling van alle taal- en opvoedkundigen, en
moet het inderdaad bevreemden , dat onze schoolliteratuur ten
opzichte van dit vak arm moet genoemd worden. Aan schrijver
dezes althans waren slechts drie werkjes, die van de beeren
anslijn, brugsma en van schreven bekend, toen voor
ongeveer vijfjaren het geschrift van den Delftschen hoogleeraar
t. roorda, getiteld: Over de deelen der rede en de redeont-
leding , of logische analyse der taal enz., in het licht verscheen.
Was het wonder, dat het werk van eenen man, die om zijne
kennis van de Oostersche talen beroemd is, en aan wien het
onderwijs in de Philosphie aan eene onzer inrichtingen van
hooger onderwijs was toevertrouwd geweest, met dc meeste be-
langstelling ontvangen werd, te meer daar het, in vergelijking
van de onvolledigheid van het bestaande, bij ons moest beschouwd
worden als de eerste proeve van eene wetenschappelijke be-