Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
125,
nen, dat wij hier niet alleen staan, maar in den meergemelden
Duitschen taalkenner k. w. i,. heyse eenen bondgenoot hebben,
zullen wij wederom eenige volzinnen uit zijn System der Sprach-
wissenschaft eenigzins vrij vertaald mededeelen. Op blz. 27 heet
het nagenoeg:
// De inhoud van alle openbaringen van hetgeen binnen in
//ons omgaat, zijn gedachten, voorstellingen en begrippen, geen
// gevoel, geene gewaarwordingen. Maar hoe openbaren deze zich
//dan? en kan zulks niet insgelijks door de taal geschieden?
// Daarop heeft men te antwoorden: De onmiddellijke openba-
// ring der gewaarwording zijn natuurgeluiden (gevoelsklanken,
//analoog met de geluiden der dieren) en klanken, die geene
// spraak uitmaken. Daarom zijn de tusschenwerpsels iets vreemd-
// soortigs ten opzichte van de overige stof, waaruit eene taal be-
//staat. Zij staan noch in etymologischen noch in syntactischen
// zamenhang met de woorden der taal van het verstand. Treden
// zij bij wijze van uitzondering in zamenhang met de overige
//taal, zoo hebben zij hunne eigenaardige natuur reeds veran-
'/ derd. Moeten onze gewaarwordingen door de taal geuit wor-
//den, zoo worden zij niet meer onmiddellijk als zoodanig [als
//gewaarwordingen] uitgedrukt, maar, vooraf door den denkenden
//geest voor de uiting geschikt gemaakt, in den vorm eener
// gedachte uitgesproken."
En blz. 28: // De taal is ongetwijfeld het orgaan voor het
//geheele zieleleven van den mensch, maar slechts voor zoo
// verre als de inhoud tot den vorm eener gedachte herleid is.
//Alleen wat gedacht is, kan uitgesproken worden, en hetgeen
//gedacht is, is noodwendig ook uitspreekbaar. Onuitspreekbaar
//is slechts datgene, wat nog niet in eene gedachte gevat is,
// hetzij omdat het als een bloot gevoel voor de gedachte te diep
//ligt, hetzij omdat het voor het denkvermogen te hoog is, als
//iets ondenkbaars."
Hoewel de aangehaalde woorden van heyse genomen zijn uit