Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
122,
als in toelatende oi permissieve zinnen, ook concessieve
noemd, maar om eene gedachte of een oordeel te vormen en als
assertorisch te beschouwen. De toegevende zinnen komen dus zeer
na aan de toelatende, en staan daarom insgelijks in den ojöte^jüwj.
Ook de Imperativus schijnt soms geheel het karakter van eene
wilsuiting te verliezen, b. v. wanneer men zegt: Wees zelf
maar eens zieh, en gij zult het ondervinden. Kom zelf maar
eens in die omstandigheden, en gij zult anders oordeelen. Deze
uitdrukkingen schijnen overeen te komen met: Indien gij zelf
eens zieh zijt, zult gij enz. Indien gij u in die omstandighe-
den bevindt, enz. Wel beschouwd echter, is er een klein ver-
schil in op te merken. In de eerste zinnen schemert üaauw
eene soort van verlangen door, dat de aangesprokene zich wer-
kelijk eenmaal in de aangeduide omstandigheden moge bevin-
den , ten einde sprekers gevoelen dan gerechtvaardigd worde; in
de laatste voorbeelden is van dit verlangen geene de minste
aanduiding.
Uit het verhandelde blijkt klaar, dat de onderscheiding der
zinnen in uitdrukkingen van het denk- en van het begeerver-
mogen niet zoo moeilijk en onzeker is, als men bij het lezen
van- hetgeen de heer eoouda daarvan zegt, wel moet denken.
Alles wordt duidelijk en zeker genoeg, wanneer men zich slechts
aan het eenige beginsel houdt, dat wij van den aanvang af tot
grondslag voor alle verdeelingen der zinnen hebben aangeno-
men, en er niets bijsleept, dat niet tot het wezen van den zin
behoort, maar als louter bijzaak te beschouwen is. Om deze
reden hebben wij geene melding gemaakt van den toon, waarop
een zin wordt uitgesproken, ofschoon de heer roorda dien
zelfs bij de onderscheiding tusschen den Imperativus en den
Optativus in rekening brengt. Dat dit slechts warring geeft,
hebben wij boven gezien.
Thans blijft ons nog over te onderzoeken, welke uitdrukkin-