Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
116,
zuivere producten van het denkvermogen, die alleen inzooverre
met de uitdrukkingen van het begeer vermogen overeen komen,
dat de gedachten, die zij bevatten, niet met de werkelijkheid
overeenstemmen, maar ze toch beoogen. Zij behooren dus half tot
de uitdrukkingen van het denk-, half tot die van het begeer-
vermogen. Aan deze halfslachtige natuur is het toe te schrijven,
dat voorschriften en raadgevingen even goed en even dikwijls
door zinnen in den Indicativus worden uitgedrukt. Om dit te
bereiden neemt men aluin en lost dien op enz. Hij m o e t om
wel te slagen zelf tot hem gaan en vragen om, hem te sprehen.
Wij hebben hier dus wederom een sterk sprekend bewijs in
de eerste plaats voor de juistheid van sïeinthai.'s definitie,
dat een zin de uitdrukking is van eene bijzondere opvatting
of beschouwingswijze van eene gedachte, en in de tweede
tevens van de noodzakelijkheid om de zinnen naar hunnen
vorm te classificeren, en niet naar de gedachten, die er
achter liggen en waarvan zij slechts eene bijzondere opvat-
ting uitdrukken. Voorschriften, zien wij, kunnen onder drie
vormen voorkomen, als indicatieve, optatieve en imperatieve
zinnen, ofschoon de //zin der gedachten" natuurlijk ééne en
dezelfde is. W^elk nut nu zou er in de classificatie gelegen zijn,
indien men, den zin der gedachten in het oog houdende, de
drie vormen tot dezelfde soort wilde brengen? Voor de kennis
der taal hoegenaamd geen; integendeel het gevolg zou niets dan
onzekerheid, verwarring en misverstand zijn.
De werkwoorden komen in optatieve zinnen in alle personen
en getallen voor. In de eerste plaats natuurlijk in den derden
persoon: De Hemel beware ons. De Koning leve. Men denhe
niet, dat enz. Had hij het maar gedaan; maar ook in den
eersten en tweeden, wanneer de spreker of de aangesprokene
het onderwerp van den zin is, en de vervulling van den wensch
niet van hem afhangt: Moge ik dit geluk steeds blijven ge-
nieten. Mocht ik eens weten, wie dat gezegd heeft. Moogt gij