Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
107,
een diep gevoel van afhankelijkheid en ootmoed wordt uitge-
sproken , alleen omdat er hartstocht bijkomt, ophouden uitdruk-
kingen van het begeervermogen te zijn? en hoe kan men in
alle gevallen beslissen, of een zin met bedaardheid, dan wel in
gemoedsbeweging is uitgesproken? Kan eene vraag niet gedaan
worden met den bepaalden wil om een antwoord te bekomen,
b. v. wanneer men zegt: // Ik eisch een beslissend antwoord.
Wilt gij, of wilt gij niet?? Ontbreekt de bepaalde wil
bij toeroepingen, als: Nu beter opgepast! Hola, niet verder!
Ferroer u niet, of gij zijt een man des doods! ? Daarentegen
weten wij den bepaalden wil niet te ontdekken in ootmoedige
gebeden en nederige verzoeken, en vooral niet in toelatingen
van hetgeen ons onverschillig is, of wat wij juist niet verlan-
gen, b. v.: n Gebruik er maar van. Doe, wat gij verkiest"
Ga, indien gij niet anders wilt', ik zal er mij niet langer
tegen verzetten.
Komt ons dit alles op zich zelf reeds duister en raadselachtig
voor, de onzekerheid wordt slechts grooter door hetgeen volgt:
'/ Zeer dikwijls wordt een bepaalde wil niet geheel kalm en
n bedaard, maar met eenige gemoedsbeweging, of ten minsten
'/met eenige levendigheid uitgesproken, en dus uitgeroepen of
n toegeroepen. Zoo is het een uitroep of toeroep van een wensch,
'/ als men bij voorbeeld zegt: God geve, dat er spoedig een
n einde aan kome / of God zij met u ! of ah men leve de koning !
'/roept." Moet men uit deze woorden niet opmaken, dat
Schrijver, in strijd met blz. 36 en het zoo even gezegde, de
uit- en toeroepingen tot de uitdrukkingen van het begeerver-
mogen brengt?
Vervolgens geeft de heer roorda de meerdere of mindere
levendigheid, waarmede men spreekt, geheel ten onrechte als
een medekenmerkend onderscheid op tusschen den Imperativus
of de gebiedende wijs en den Conjunctivus of Subjunctivus of
de aanvoegende wijs, door hem later Jussivus of bevelende wijs