Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
stelä, en zat daarom {gisteren) den geheelen dag te huis, dan
dat // de zin van zulke zinnen" de eerste aanleiding zou kunnen
geweest zijn om ze gelijk te stellen. Het verschil in tijd, het
onderscheid tusschen tegenwoordigen verleden, en het
gewoonlijk daarmede gepaard gaande verschil tusschen positief
en negatief, tusschen ongesteld zijn en te huis zitten en
niet ongesteld zijn en niet te hnis zitten, maken zulks al
te onwaarschijnlijk. — Mogelijk is de bron gelegen in Schrij-
vers dagelijksch verkeer met, en het noodwendig daaruit voort-
vloeijende denken in talen, die niet tot de Indo-germaansche
behooren, en naar het eenstemmig getuigenis van alle deskun-
digen voor deze laatste in fijnheid van onderscheiding en juist-
heid van uitdrukking verre moeten onderdoen. Misschien wordt
het onderscheid tusschen gedachten, die met de werkelijkheid
overeenstemmen, en zulke, die haar buiten rekening laten, in
die talen niet uitgedrukt, waaruit dan volgen zou, dat de
volken, die deze talen spreken, dat onderscheid niet voelen,
want //quod non est in sono, non est in sensu", //wat in de
taal niet wordt uitgedrukt, wordt ook niet gevoeld." Dat dit
vermoeden niet geheel ongegrond is, blijkt uit eene noot van
den heer roorda op § 292 van de Javaansche Spraakkunst,
door wijlen A. D. Cornets de Groot enz.; op nieuw uitgegeven
en voorzien van een nieuw Woordenboek, door T. Roorda, Am-
sterdam, 1843: //Het zal naauwelijks noodig zijn hier aan te
//merken, dat hetgeen hier de aanvoegende wijs g^woemA^mAï,
//in het Javaansch niet alleen, zoo als de Schrijver zegt, met
// de gebiedende wijs veel overeenkomst heeft, maar dat zij er
//volstrekt niet van verschilt, en dat derhal ven deze onderschei-
//ding, zoo als ook die van onbepaalde en aantoonende wijs,
//op de Javaansche taal van geenerlei toepassing is. In de Ja-
// vaansche taal worden slechts twee wijzen van spreken door den
//vorm der woorden onderscheiden. Men sT^ïeeki eioistellender,
//bf wenschender wijs, en dit laatste is, indien men in den