Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
97,
nederlaiidsch bezigt in de bijzinnen wel is waar meestal de
vormen van den Indicativus: ih was, gaf, nam, dronk enz.,
maar laat in de poëzij en den redenaarsstijl nog altijd het ge-
bruik van ih ware, gave, name enz. toe. Het heeft daarentegen
in de hoofdzinnen eenen geheel eigenaardigeu vorm van cogita-
tivus ontwikkeld, namelijk dien met zou: ik zou zijn, zou
geven, nemen enz. Wanneer de hoofdzin dezen, van ik was, gaf
enz., zoo duidelijk onderscheiden vorm vertoont, is het wel niet
mogelijk zich in de beteekenis van den bijzin te vergissen en
het werkwoord voor een imperfectum indicativi te houden, al
komt het uiterlijk daarmede overeen. Wij herhalen dus ons
gezegde: al de ons bekende Indo-europesche talen onderscheiden
kennelijk den Cogitativus van de verledene tijden van den In-
dicativus, en bewijzen daardoor onwedersprekelijk, dat zij wil-
lekeurig gevormde gedachten van de voorstelling van iets, dat
verleden, maar werkelijk gebeurd is, zeer goed weten te on-
derscheiden.
De door ons ontwikkelde onderscheiding is gegrond op de
taal, strekt ter verklaring van het gebruik der verschillende
vormen, en is voor het rechte verstand van sommige talen
volstrekt onmisbaar; de door Schrijver willekeurig gemaakte
onderscheiding is strijdig met de taal, verklaart niets, heeft niet
het minste practische nut, maar kan integendeel alleen eene
verwarring van begrippen veroorzaken, gelijk aan die, waaruit
zij ontsproten is.
Het is ons tot nog toe niet gelukt de oorzaak der zonder-
linge zienswijze van den heer roorda te ontdekken. Ongetwij-
feld is zij niet te zoeken in Schrijvers eigenaardig begrip van
de natuur van eenen zin. Immers, de gedachten, gelegen in
zinnen in het praesens van den Cogitativus, als: Ik zou nu
niet te huis zitten, indien ik {nu) niet ongesteld was, ver-
schillen al te zeer van die, welke vervat zijn in uitdrukkingen
in het imperfectum van den Indicativus: Ik was gisteren onge-