Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
95,
gens Schrijver tot den Indicativus behoort, spreekt niet altoos
//van den tegenwoordiyen lijd" bet drukt wel in de meeste,
maar lang niet in alle gevallen uit, //hoe het mi, gesteld is."
Het dient ook ter vermelding van verledene //gebeurtenissen
// des dagelijkschen levens," waarbij men zelf niet tegenwoordig
geweest is. Zie Dr. beii.i.'s Spraakleer ten gebruike bij inrich-
tingen van Hooger Onderwijs. (1854) § 101, B. 2, 2). Er
zijn dus gevallen, waarin ook volgens het beginsel van den
heer eoohda het perfectum tot den Cogitativus zou te brengen
zijn.
Maar de voornaamste reden, waarom de leer van den heer
uooeda de sterkste afkeuring verdient, is omdat zij door de
taal zelve, tot wier verklaring zij dan toch wel zal moeten die-
nen, gelogenstraft wordt, en den leerling geheel verkeerde be-
grippen geeft. De taal zelve toont ten klaarste, dat de voorstel-
lingen van verledene maar werkelijk gebeurde voorvallen geheel
andere zijn dan voorstellingen, die niets met de werkelijkheid
te maken hebben. Immers de meeste oudere en nieuwere Indo-
Germaansche talen onderscheiden kennelijk het praeteritum van
den Indicativus van het praesens van den Cogitativus of Con-
ditionalis, of hoe men dien tijdvorm ook noemen wil. Om zulks
aan te toonen zullen wij hier eenige voorbeelden uit het Latijn,
Gothisch, Oud- en Nieuw-Hoogduitsch, Oud-Noordsch en
Zweedsch aanhalen, kortheidshalve het Oud- en ATigelsaksisch,
het Oud-Friesch enz. met stilzwijgen voorbijgaande:
Indicativus. Cogitativus.
Latijn, eratn of fui (ik was), essem (ik ware).
// dabam of dedi (ik gaf), darem (ik gave).
// bibebam of bibi (ik dronk), biberem (ik dronke).
Goth. was (ik was), wêsjau (ik ware).
// gaf (ik gaf), gêbjau (ik gave).
// dragk (ik dronk), drugkjau (ik dronke).
// skain (ik scheen), skinjau (ik schene).