Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
94,
maar omdat de zin alleen dienen moet om er de eene of andere
gevolgtrekking uit af te leiden, b. v. om zijne trouw en stil-
zwijgendheid te betuigen. Bij dit alles vergete men niet op te
merken, dat de Cogitativus nooit leugentaal spreekt, omdat het
werkwoord door zijnen vorm duidelijk genoeg te kennen geeft,
dat men den zin niet als eene uitdrukking van de werkelijkheid
moet opvatten.
Onze beschouwingswijze komt ons vooreerst voor consequen-
ter te zijn. De vraag, die wij doen, is: Heeft men bij de vor-
ming der gedachte de werkelijkheid in aanmerking geno-
men, ja of neen? 'Loo ja, dan hebben wij den indicativus , zoo
neen, den cogitativus. Maar welke vraag zal de heer koorda
stellen? Schijnbaar is het deze: Komt de gedachte met de te-
g enwo or dig e werkelijkheid overeen? Anders toch zien wij
geene reden om het verledene uit den Indicativus te werpen.
Maar hoe dan het toekomende en het bloot mogelijke daarin
te brengen? En hoe die gevallen te verklaren, waarin de cogi-
tatieve zin wel met de werkelijkheid overeenkomt? Zelfs het
Praesens beantwoordt niet altijd aan Schrijvers grondstelling, na-
melijk, wanneer het eene onbepaalde beteekenis heeft, als het
ware een aoristus is, en daarmede //niet juist het tegenwoor-
//dige oogenblik wordt bedoeld", als men b. v. zegt: n Het
nkind slaapt den geheelen nacht door, of valt telkens over
n die vloermat, <Ä heef t om den anderen dag de koorts'
20). Deze uitdrukkingen beantwoorden, streng genomen, even
weinig aan de tegenwoordige werkelijkheid. Het onbepaalde prae-
sens, van telkens afgebrokene werkingen gebruikt, drukt, wel
beschouwd, verledene handelingen uit, waarvan de voortzet-
ting in de toekomst verwacht wordt. De zin, om hier Schrij-
vers gewone uitdrukking eens te bezigen, de zin van den zin:
Ik doe wekelijks eene groote wandeling, is: Ik heb tot nu toe
wekelijks eene groote wandeling gedaan, en denk dit voort te
zetten. — Ook het u T r aeteritum. perfectum" dat vol-