Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
dat het door «en' draaijenden vleugel ineen gedraaid is.
Bij het weven worden eene menigte draden digt naast
elkander uitgespannen. Hun aantal regelt zich naar de breedte
der te weven stof; zij zijn ieder zoo lang als het stuk doek,
dat er van komen moet, terwijl zij te zamen den ketting
vormen. Dwars door die draden worden andere draden
gebragt, die men den inslag heet, en die beurtelings
onder en boven een of meer kettingdraden heengaan. Voor
den ketting neemt men sterker garen dan voor den inslag ,
om hem in staat te stellen aan de grootere trekking en
wrijving, die hij ondergaan moet, weerstand te bieden,
terwijl hij daarenboven, om hem gladder te maken, met eene
soort van pap bestreken wordt, die van meel gekookt is,
en waarbij men nu eens wat potasch, dan eens wat vet
gedaan heeft. De kettingdraden worden vervolgens tot gangen
van twintig draden vereenigd, en dau in genoegzaam aantal
op den ketting- of scheerboom gebragt, die zich aan het ach-
terste gedeelte van het weefgetouw of den weefstoel bevindt en
daarop behoorlijk verdeeld. Van daar loopen zij naar het voorste
gedeelte van het getouw, dat weder eene rol is , waarom later de
geweven stof opgerold wordt, en die de borstboom heet. Onder-
weg echter gaan zij door de oogen van de schachten en door
den rietkam. De schacht bestaat uit een paar evenwijdige
latten , iets langer dan de ketting breed is, waartusschen
lissen uitgespannen zijn, in wier midden zich een oog be-
vindt , waar de kettingdraad is doorgehaald. Bij het weven
van gewoon linnen heeft men twee zulke schachten voor
elkander, zoodat de eerste, derde, vijfde en al de onevene
draden door de oogen van de eerste schacht, al de evene
daarentegen door die van de tweede gaan. Van de bovenste
lat der eene schacht loopen twee snaren over twee schijfjes,
die boven aan het weelgetouw bevestigd zijn , naar de bo-
venste lat der andere schacht, terwijl ieder der beide on-
derste latten met eene voettrede verbonden is. Wanneer
dus eene dezer treden omlaag gedrukt wordt, zal de daar-
aan verbonden schacht en tevens de helft der kettingdraden
dalen, maar tevens de andere schacht met de andere helft
van den ketting rijzen. Hierdoor biedt zich de gelegen-
heid aan er een' dwarsloopenden draad, inslag, tusschen te
brengen. Om dezen tegen het weefsel aan te dringen en