Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'75
weeke klei 'tuigen, zoodat die spoedig luchtdroog^
uit de
wordt.
Bloempotten en dergelijke voorwerpen zijn terstond na
het bakken gereed, maar de meeste andere pottebakkerswa-
ren moeten verglaasd worden. De gemeene soorten worden,
als zij luchtdroog zijn, met kleuren beschilderd, met ver-
glaas bedekt en dan gebakken. De betere soorten worden eerst
verglaasd, dan gebakken, daarna beschilderd, en komen dan
nog eens
glaas is
in den oven. Het hoofdbestanddeel van het ver-
voor deze dingen altijd loodoxyde , dat wij reeds
bij de beschrijving van het glas als vloeimiddel leerden ken-
nen. Daar het zich slecht met de klei vereenigt, laat het
verglaas bij het gebruik wel eens los, en is dan voor de ge-
zondheid hoogst nadeelig.
Tabakspijpen.
De steenen tabakspijpen worden vooral in ons vaderland
en inzonderheid te Gouda vervaardigd. Aldaar had men in
de vorige eeuw meer dan vijfhonderd pijpebakkerijen , die
elk zestig of zeventig personen , zoo mannen, vrouwen als
kinderen bezig hielden. De daarvoor noodige klei ontvangt
men uit de omstreken van Keulen of uit Limburg. Zij is-
bijzonder fijn , taai en zonder kalk- of ijzerdeelen , zoodat
zij tot de viiurbestendige, d. i. onsmeltbare soorten behoort.
Zij is blaauwachtig wit, maar wordt door het branden witter.
Om ze van onzuiverheden en zandkorrels te bevrijden,
wordt zij met veel water verdund, en dan door zeven van
verschillende fijnheid gegoten. Als zij weder tot behoorlijke
vastheid gebragt is, maakt men er klompjes van, groot ge-
noeg voor eene pijp. Men rolt deze uit ter lengte en dikte
van den aanstaanden steel, maar zoo, dat aan het dikke-
einde een balletje klei voor den kop overblijft Nu komt
de pijpesteel bij den vormer. Deze steekt er eerst een' dun-
nen ijzerdraad door, en legt daarop de gedeeltelijk gevorm-
de pijp in een* koperen vorm, die met olie bestreken is,
en uit twee helften bestaat. Deze passen juist op elkander.