Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'63
Het blusschen van den kalk.
Zoo verkrijgt men den gebranden kalk, ook bijtende en
ODgebluschte kalk genoemd. De reden van deze laatste bena-
ming zult gij aanstonds vernemen. De kalk heeft nu eene
geelachtig witte kleur , een' scherpen alkalischen smaak, en
bijt elke plantaardige of dierlijke zelfstandigheid weg, waar-
mede hij in aanraking komt. Daarom gebruikt men hem in de
leerlooijerijen, om het haar van de vellen los te maken.
Maar tot velerlei andere einden, b, v. om er mee te metse-
len , moet de kalk gebluscht worden. Dit bestaat daarin, dat
men de kbmpen met water begiet. Zij worden daarop zeer
heet, zoodat de warmte tot 150 graden stijgt, dat is veel
hooger dan het kookpunt van het water. De klompen begin-
nen nu te sissen, het water verdwijnt, zij zwellen op, val-
len eerst in kleinere stukken , en later tot een wit stuivend
poeder, zoo als gij den droogen kalk kent. Is dat niet
vreemd? De drooge klompen worden met water begoten, en
veranderen dan in droog poeder. Waarom wordt de kalk niet
nat? Waar blijft het water? Voor een gedeelte is het ver-
dampt , maar het grootste deel heeft zich zoo innig met
den gebranden kalk vereenigd , dat het ophoudt water te
zijn, geheel van eigenschappen veranderd en niet meer
nat is. Als men op zes pond gebranden kalk drie pond wa-
ter giet , verkrijgt men acht pond droog poeder. Er is dus
een pond water als damp opgestegen; de andere twee ponden
van het vloeibare water zijn vast geworden , en van daar de
warmte, die hierbij ontstaat, en welke men altijd waarneemt,
als een vloeibaar ligchaam vast wordt. De hoeveelheid is
ook vermeerderd en driemaal grooter geworden. Een mud
ongebluschte levert drie mud gebluschten kalk op.
Had men den gebranden kalk ongebluscht aan de lucht
blootgesteld, dan zou hij water uit den dampkring aange-
trokken, en zoo gaandeweg zich zelven gebluscht, maar te-
vens koolzuur opgenomen hebben. Laat men den geblusch-
ten kalk in de opene lucht liggen, dan trekt hij geen wa-
ter aan; zijne begeerte naar water is voldaan. Koolzuur