Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
men , en sluit dan de opening weder. Daar de bekkens
zoo wijd zijn, is het zeewater over eene groote oppervlakte
aan de warme lucht blootgesteld, en verdampt dus snel.
Het water vermindert dus , maar niet het zout; zoodat het
spoedig zoo ver komt, dat het water al dat zout niet opge-
lost kan houden , en dit laatste zich als korsten afzet , die
men uit het water haalt en op hoopen werpt, niet alleen
om uit te lekken, maar ook om eenigzins zuiverder te wor-
den. Hierover nog een enkel woord.
Wij hebben gezien dat de potaseh, aan de lucht blootge-
steld , water aantrekt en vervloeit, maar dat de soda ver-
weert. Het zuivere zout vervloeit niet en verweert ook niet;
het blijft, aan de lucht blootgesteld, droog en glanzig. Dat
het zout, door ons dagelijks gebruikt, vochtig wordt, is
een bewijs dat het niet geheel zuiver is , maar nog een wei-
nig van zulke stoffen bevat, die water aantrekken. Van die
stoften bevat het ruwe zout, als het uit de vijvers komt,
eene vrij aanmerkelijke hoeveelheid. Laat men nu dat zout
in de open lucht eenigen tijd liggen, dan trekken die stof-
fen water aan en vervloeijen; zoodat de hoeveelheid wel
vermindert, maar het zout zoo veel te zuiverder wordt;
want alleen de bijgemengde stoffen verlaten op die wijze de
hoopen. Ik zal wel niet behoeven te zeggen , dat men tot
dit geheele werk droog weder behoeft; want kwam er regen
op die hoopen, dan zou deze veel zout oplossen en doen
verloren gaan. Men bezigt dus steeds het warmste gedeelte
van den zomer; dan is in een' dag of acht het zout
gekristalliseerd, en men begint op nieuw.
Gewoonlijk komt het zeewater ook niet terstond in die
vlakke vijvers, maar eerst in diepere kommen , waar het
eenigen tijd in rust gelaten wordt, om aardachtige onrein-
heden gelegenheid te geven tot bezinken.
Het ruwe zout, zeiden wij, wordt vervolgens in de zout-
keet gezuiverd of geraffineerd ; daartoe wordt het in water
opgelost, en wel in zeewater , omdat de hoeveelheid zout
daardoor nog vermeerderd wordt. Het zeewater wordt met
zoogenoemde waterschuiten aangevoerd, of, zoo de zout-
2*