Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'35
Men heeft echter ook waskaarsen. Waar het was van daan
komt, weet gij misschien. Het gewone was wordt ons door
de bijen bezorgd, die het uit de bloemen zuigen, om het daarna
tusschen hare buikringen uit te zweeten, en er hare cellen,
honigraten genoemd , van te bouwen. Het komt evenwel niet
alleen in het stuifmeel der bloemen, maar ook in geringe hoeveel-
heid in alle planten voor, en wel vooral in de gladde bekleedse-
lender bladeren, stengels en vruchten, b. v. in de appelschil-
len. Eenige planten in Japan en in Zuid-Amerika bevatten
zooveel was, dat men het er uit afzondert door die planten
in water uit te koken, en het dan onder den naam van ja-
pansch of plantaardig was in den handel brengt. Om van
het was kaarsen te maken, moet het eerst gebleekt worden;
want het heeft oorspronkelijk eene bruingele kleur. Het was-
bleeken geschiedt even als het bleeken van linnen , n. 1. door
de vereenigde werking van lucht, licht en vochtigheid,
doch alleen aan het buitenste oppervlak; zoodat die bewer-
king te spoediger gaat, naarmate de stukken , die gebleekt
moeten worden, dunner zijn. Om het zeer dun te verkrij-
gen , wordt een weinig gesmolten was in eene groote tobbe
met water uitgegoten, zoodat het daarop in een dun laagje
stolt, dat men er kan afnemen en zoo het werk herhalen.
Maar somtijds wil men het nog meer bespoedigen, zoo
als in groote fabrieken, daar veel was gebleekt moet worden.
Dan laat men het gesmolten was door eene rij van gaatjes
loopen , zoodat het met dunne straaltjes op eene rol neder-
komt, die half onder water rondwentelt. Zoodra het was
het water bereikt, stolt het, en vormt daardoor min of meer
breede linten , die met eene soort van hark uit het water
genomen en dan gebleekt kunnen worden. Bij het bleeken
zorgt men natuurlijk voor een behoorlijk bevochtigen en kee-
ren van het was, en smelt de gebleekte massa een of meer-
malen om, ten einde zoodoende andere wasdeeltjes aan de
oppervlakte der linten te brengen en ook deze te bleeken.
De waskaarsen worden nooit getrokken. De kleine worden
gegoten, maar de grootere, en wel bijzonder de kerk- of
altaarkaarsen, op eene andere wijze vervaardigd. Som-
tijds kneedt men om de pit verwarmd en daardoor zacht
geworden was, en rolt dan de kaarsen op eene gladde tafel
van hard hout, of beter nog van marmer met eene vochtige