Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'24
bruikt gerst, rogge, tarwe, haver, rijst, aardappelen, stroop,
beetwortels en andere voortbrengselen, om er wijngeest uit
te destilleren. Inzonderheid bezigt men rogge en gerst, en noemt
hetgene daardoor verkregen wordt, korenbrandewijn, ook
wel moutwijn, of als het nog eens met jeneverbessen gedestil-
leerd is, en het daarvan een' eigenaardigen smaak verkregen
heeft, jenever. Deze wordt in ons land, en vooral te Schie-
dam als ook te Weesp in het groot gestookt.
Om van eenig graan den korenbrandewijn te stoken, be-
gint men met het ongeveer op dezelfde wijze te behandelen
als de bierbrouwer doet; want ook hier is het van belang,
dat de stijfseldeelen, die in het meel bevat zijn, in suiker
overgaan, om daarna door gisting in alcohol te kunnen ver-
anderen. Deze verandering moet vollediger geschieden dan
bij het bier, omdat bij dit laatste eenige stijfsel en suiker-
deelen aanwezig moeten blijven, om bij voortduring eene
stille gisting te onderhouden.
Het graan wordt dan op dezelfde wijze in mout veranderd ,
en dit nog fijner gebroken dan wanneer het voor bier be-
stemd is. Gewoonlijk neemt men een derde gemguten of twee
derde ongemouten gerst, of voegt bij één deel gemouten gerst
twee deelen ongemouten rogge of haver. Hiervan vervaardigt
men een aftreksel, dat vervolgens in gisting gebragt, en daarna
in den destilleerketel gedaan wordt, tot deze voor twee derde
gevuld is. Het vocht moet dan gestadig omgeroerd worden,
om het aanbranden te voorkomen, eer men er den helm op
zet, en er den wijngeest af destilleert. Dit eerste destillaat
bevat echter nog veel water, dat met den spiritus mede is
overgegaan, en bovendien eene olieachtige stof, foezel ge-
heeten, die er een' onaangenamen smaak aan meedeelt. Om
dezen weg te nemen, destilleert men het vocht nog eens, on-
der bijvoeging van koolpoeder, zout of andere stoffen.
Ook uit aardappelen wordt vooral in Duitschland zeer veel
brandewijn gestookt. Zij worden daartoe uitwendig schoonge-
maakt, door middel van heete dampen gekookt en dan met water
tot eene dunne brij geroerd. Hieronder wordt een weinig grof
gebroken gerste- of tarwemeel gemengd, daarvan een aftrek-
sel gemaakt, dit Uan de gisting onderworpen en dan op de-
zelfde wijze als de korenbrandewijn gedestilleerd. In de rus-