Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'7
nig water tot deeg vormt, dat in een lapje bindt, en in
eene goede hoeveelheid koud water drukt en kneedt, dan wordt
het water wit. Zoo men nu telkeus ander water neemt, kan
men hiermede voortgaan , tot het water niet meer verkleurt.
Dan bevindt zich het eene bestanddeel in het water, het
andere in het lapje. Laat men namelijk het water staan j
dan bezinkt een uiterst fijn wit poeder, dat zeer zacht op
het gevoel is, en dat men den naara van zetmeel gegeven
heeft. Het is dezelfde stof, die ge als stijfsel beter kent.
In het lapje bevindt zich eene taaije , graauwe zelfstandig-
heid , die men kleefstof noemt.
Het zetmeel, zoo min als de kleefstof, is in kond water
oplosbaar. In heet water zwelt het zetmeel aanmerkelijk, ver-
bindt zich met veel water, en vormt daarmee eene dikke pap-
achtige massa, die u als stijfselpap of gekookte stijfsel niet
onbekend kan zijn. De kleefstof kan ook veel water bin-
den, en vormt daarmee eene zeer taaije, veerkrachtige massa,
die zoo sterk zamenhangt, dat, als men in een bolletje van
deze stof een pijpje steekt, men dit tot een' grooten bol kan
opblazen , zonder dat de massa scheurt.
Om wittebrood te bakken , wordt het tarwemeel met melk
en water, soms ook met water alleen, tot een deeg gemaakt,
met gist gemengd en goed doorgekneed. Vervolgens wordt
het deeg in klompen van behoorlijke zwaarte afgewogen,
waaraan men dan de vereischte gedaante geeft, en ze daarna
op eene warme plaats in den onderoven te rijzen zet. Door
de werking van de gist ontstaat dan binnen het deeg eene
luchtsoort, het koolzuur geheeten, die zich als blaasjes tus-
schen het deeg zet, maar daar door de taaiheid ^an het deeg
niet ontwijken kan, en waardoor het klompje deeg veel grooter
wordt. Is het deeg genoegzaam gerezen, dan komt het in den
oven, om gebakken te worden. De oven zelf is van steen gemet-
seld, en bestaat uit eene ruimte, die van onderen met een'
platten vloer, van boven met een gewelf, en van voren met
eene ijzeren of koperen deur voorzien is. In dien-oven worden
hout, turf of zaagsel gestookt, waarvan de rook door de
openstaande deur ontwijkt en door een' schoorsteen weg-
trekt, die zich voor den oven bevindt. Als deze stoffen ge-
noegzaam verbrand zijn , en de oven daardoor heet genoeg
geworden is, worden de asch en kooltjes met een' ijzeren