Boekgegevens
Titel: Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Auteur: Knuivers, T.; Helge, J.E.
Uitgave: Groningen: F. Folkers, 1864
2e, herz. en verm. dr; 1e dr.: 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1701 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205157
Onderwerp: Economie: industrie
Trefwoord: Natuurlijke stoffen, Industriële productie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Blikken op het gebied der technologie: een leesboek over handwerken en bedrijven
Vorige scan Volgende scanScanned page
'106
stukken naar evenredigheid zvraar zijn, kunt gij dan wel
uitrekenen hoeveel wigtjes fijn zilver er in ieder van de drie
genoemde stukken aanwezig is ?
Men onderscheidt de muntspeciën van een land in stand-
penningen en pasrannten. Onze standpenningen zijn de
rijksdaalder en de gulden; zij alleen maken het wet-
tige betaalmiddel uit. Maar behalve deze heeft men ook
pasmnnten ; daardoor verstaat men geldstukken van geringe
waarde, gelijk in zilver de halve gulden, de kwartgulden,
het dubbeltje en het stuivertje.
Deze moeten dienen vooreerst voor betalingen van een
laag bedrag, en ten tweede om bij te passen , als grootere som-
men niet juist met standpenningen betaald kunnen worden.
Zij zijn slechts tot op zekere hoogte, door de wet bepaald,
wettig betaalmiddel; zoodat niemand gedwongen kauworden
grootere sommen in pasmunt te ontvangen.
Onze pasmunten zijn, zoo als wij zeiden, de halve en
kwartgulden , het dubbeltje en stuivertje. Hierbij komen nog
de centen. Van deze is de halve gulden van hetzelfde zilver
vervaardigd als de standpenningen en juist half zoo zwaar als
de gulden. Geheel anders is het echter met de andere zil-
veren pasmunten. Zij zijn naar evenredigheid zwaarder en
bevatten tevens minder fijn zilver. Zoo weegt een kwart-
gulden niet een vierde ^ maar ongeveer een derde gedeelte
van een lood, en bevat niet ruim 3.36 , maar 2.34 wigtjes
fijn zilver, terwijl de zwaarte en innerlijke waarde van het
dubbeltje en stuivertje naar dezelfde verhouding bepaald zijn.
Wanneer ik u nu nog zeg, dat onze centen en halve cen-
ten van zuiver of althans nagenoeg zuiver koper vervaardigd
zijn, en dat de eersten 3.845, de laatste 1.9325 wigtjes
wegen, meen ik mij bij onze munten lang genoeg te hebben
opgehouden.
Het vervaardigen van muntspeciën geschiedt aan de munt
onder toezigt van bepaalde personen, door de regering daar-
toe aangesteld en muntmeesters genoemd. In ons land is
de munt te Utrecht gevestigd. Nadat de metalen, voor het
munten bestemd, in de bepaalde verhoudingen zijn afgewo-
gen , worden zij in kroezen, die in een' oven geplaatst zijn,
gesmolten, maar daarbij met eene laag koolpoeder bedekt,
om te voorkomen dat een gedeelte van het koper zich