Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
4.
Maak den onvoltooid tegenwoordigen en den onvol-
tooid Terleden tijd der werkwoorden:
hebben en zijn.
5.
Maak den Toltooid tegenwoordigen tijd der
werkwoorden :
lezen zwerven hakken bouwen
raden liggen visschen wagen
houwen breken pochen schrobben
zingen weten praten baden
lijden denken morsen dweilen
bieden werken bemesten beloven
6.
Plaats het werkwoord in den Toltooid
tegenwoordigen tijd:
Ik (slapen) dezen nacht zeer gerust. Gisteren
(omspitten) ik eerst mijnen tuin, daarna (hakken)
ik eenen boom om en toen (visschen) ik tot den
avond met de schakels. (Lezen) gij de levensge-
schiedenis van Prins Willem I ? Die vogel (zingen)
den geheelen morgen; hij (vervelen) mij erg. De
kinderen (i-aden) het raadsel nog niet, dat de meester
(opgeven). De tuinlieden (verplanten) die boomen;
zij (lijden) er veel door. Hoeveel (bieden) gij den
koopman voor dat paard ? Die vreemde schepelingen
(zwerven) reeds een paar dagen door de stad; hun
schip (liggen) al eene week in de haven. Wie (breken)