Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
O
lü M r Aj
H H ^ N Pfrl \
J . j. u. J.
1.
Plaats de werkwoorden in den onroltooid
Terleden tijd:
Ik doe altijd myn best. Ziet gij, dat de toren
vlagt? De man staat op, slaat zijne das om en gaat
naar huis. De agent bespiedt de dieven. Dat ongeluk
geschiedt niet dikwijls. Hoeveel bieden die heeren
voor die huizen? De waard schenkt eiken gast een
glas wijn. Denkt gij om de boodschap voor vader?
De soldaat sneuvelt in den oorlog. Geeft gij den
knecht het geld, dat hij verdient ? De barbier smeert
zeep op den baard; daarna scheert hij met het
scherpe mes. De heer berijdt het paard, en de kok
bereidt het middagmaal. Gelooft gij, dat het vriest?
De koning prijst het gedrag van den moedigen
zeeman. Eerst rust de arbeider van zijn werk. Graag
lust hij het sobere maal, dat zijne vrouw opschept.