Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
scliipper) heeft hier nog nooit een ongeluk gehad."
(Vader en Jan) wachtten geduldig af, en na een half
uur stapten (Vader, de schipper en Jan) aan wal.
Vader en de schipper begonnen op eens te lachen,
en toen (Jan) (Vader en den schipper) aankeek,
moest (Jan) ook' lachen. De schipper had (Vader en
Jan) weer naar denzelfden wal geroeid.
Piet. Gingen (Vader en Jan) toen w'eer met den
schipper over?
Jan. Neen, (de schipper) ried (Vader en Jan) te
wachten, tot de mist opgetrokken zou zijn.
Keetje. En vonden (Vader en Jan) dat goed?
Neeltje. (Neeltje) zou liever naar huis gegaan zijn.
Jan. Dat deden (Vader en Jan) ook. Niemand
wachtte (Vader en Jan).
De mist boezemde (Vader en Jan) te veel vrees in.
Piet, Keetje en Neeltje. Nu (Piet, Keetje en Neeltje)
vinden het wel grappig. Als (Jan) weer eens wat
weet, moet (Jan) het (Piet, Keetje en Neeltje) weer
eens vertellen. Zal (Jan) ?
lOl.
Ontleed de volgrende zinnen
Ik ga naar Rotterdam.
De bakker verkoopt mij brood.
Jan roept mij.
Wij leeren onze les.
Vraagt de reiziger ons den weg ?
Mijn broeder blijft bij ons.