Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
(Pief en ik) eten eene boterham.
Mijn vriend bracht (Piet en mij) een boek.
Jan ziet" (Piet en mij).
Vertel nu hetzelfde, maar vervang de woordjes,
die tusschen () staan, door één woord.
97.
Plet eet eene boterham.
IMijn vriend bracht Piet een boek.
■Tan ziet Piet.
Hoe zult gij dit aan Piet zelf vertellen?
Piet en Anna eten eene boterham.
Mijn vriend bracht Piet en Anna een boek.
Jan ziet Piet en Anna.
Iloe zult gij dit aan Piet en Anna te gelijk vertellen ?
»8.
Piet eet eene boterham.
^lijn vriend bracht Piet een boek.
Jan ziet Piet.
Hoe vertelt gij dit aan uwen vader, op Piet wijzende ?
Als er nu in plaats van Piet, Anna stond, hoe
zoudt gij dit dan aan uwen vader vertellen, op Anna
loijzende ?
En hoe, als er nu in plaats van Piet eens het
kind stond?
99.
Piet en Dirk eten eene boterham.
Mijn vriend bracht J'iet en Dirk een boek.
Jan ziet Piet en Dirk.