Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
grooter geweest zijn, \Vanneer (ons) tuinman (ons)i
tuin beter bearbeid had. (^fijn) 'knecht is naar het
station om (mijn) neef af te halen en (mijn) vriend
den weg te wijzen. Op (uw) verjaardag zult gij (uw)
knecht toch wel vrijaf geven. Door (haar) volhar-
denden ijver heeft zij het lijden (haar) broeders zeer
verzacht. Op (zijn) gewonen tijd brengt hij (mijn)
zoon (zijn) rijksdaalder. In het bijzijn van (ons)
notaris teekent hij (zijn) naam. (Mijn) knecht riep
in (zijn^ slaap (uw) broeder te hulp.
Ontleed deze zinnen:
Daar wandelt moe vriendin.
De jongen brengt de zuster wwer boeken.
Brengt de meid uwe vriendin kei^sen?
Blijft uwe zuster bij uwe vriendin^
Terbuii? deze woorden en maak zinnen, waarin
zij in de verschillende naanivallen
voorkomen:
uwe tante — onze baker — zijne nicht — hare
tafel — - mijne hand.
75.
Schrijf de bezittelijke voornaamwoorden in den
vereischten vorm:
(Zijn) zuster is met (mijn) nicht naar (uw) tante,
(Haar) dochter ging niet mede ; zij moest (haar)