Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
als in den winter, 's Zomers zijn de dagen (lang)
dan de nachten, maar 's winters zijn zij (kort). Een
\lijtig handwerksman is dikwijls veel (gelukkig) dan
oen rentenier. Tevredenheid is de (groot) schat.
De rechte weg is de (kort), maar niet altijd de
(aangenaam). Die sigaar is goed, maar deze is veel
(goed). De (duur) zijn niet altijd de (goed). Dat
is de (beleefd) knaap, dien ik ooit gezien heb. De
zieke is veel (erg) dan gisteren; de koorts is op het
(hevig). Hoe (helder) vooruitzichten, hóe (blij) ge-
laat. Toen de man (oud) was dan gij nu zijt, viel
het werk hem nog niet (zwaar) dan u. Rotterdam
is (groot) dan Den Haag, maar in Den Haag is het
(mooi) en ook veel (stil).
06.
Ge)»ruik den vcrgroolcnden of den overtreffenden
trap der l>ijvoeg:lijlïe naamwoorden, die
tnsschen ( ) staan :
De zeeschepen zijn (stevig) dan de binnenschepen,
want de zee is (onstuimig) dan de rivieren. De
nieuwe koffiemolen van mijne moeder maalt de koffie
(fijn) dan de oude. De (mooi) perén zijn niet altijd
de (lekker). De (vet) koeien geven niet altijd de
(goed) melk. Vindt gij de (donker) jurk niet de
(mooi)? Moeder bewaart voor ons altijd het (goed)
uit den tuin. De tuin van den burgemeester is de
(mooi) en (groot) van het dorp. Wat is het (lief)
Vaderland ? De (goed) bode is de man zelf. Hoe
(hoog) de betrekking is, die wij bekleeden, des te
(zwaar) is onze verantwoordelijkheid. Het (rein)