Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
en eene pruim vond Grietje in den tuin. Eene kat
ving in eene kamer eene rat. Eene vrouw waagde
eene poging om de stad te ontzetten. Eene onop-
lettende maakt eerder eene fout dan eene oplettende.
Ontleed deze zinnen :
Een kind leert in de school.
Hier ligt het boek eens kinds.
De onderwijzers geven een kind onderwijs.
De ouders bestraffen een kind.
sr.
Verbuig de volgende woorden en maak zinnen,
waarin zij in de Tersehillende
naamvallen voorkomen :
een paard — een huis — een hart — een bord.
38,
Vnl het onbepaalde lidwoord in:
— kind reed op — paardje. — varken zit in — hok.
Het vleesch — varkens heet spek. — kind lust
graag — ei. Geef —• paard — broodje. De letters
— boeks zijn zwart. — meisje draagt — schort.
— stuivertje is — vijfde gedeelte van — kwartje.
— schip ligt vast aan — touw. Bier doet men in
— glas. — glas breekt, als het valt. Op — zolder-
kamertje woont — vrouwtje, dat al — jaar ziek
geweest is. — knaapje vond — nest onder — dak.