Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
28.
Ontleed deze zinnen :
Een onderwijzer leert de kinderen.
De lessen eens onderwijzers dragen vruchten.
Het kind toont eenen onderwijzer gehoorzaamheid.
De gemeenteraad benoemt eenen onderwijzer.
29.
Yerbuig de volgende woorden en maak zinnen,
waarin zij in de verschillende naamvallen
voorkomen:
een man — een hond — een leeuw — een hoed —
een tuin — een timmerman — etui smid.
30.
Tul het onbepaalde lidwoord iu ;
Ik geef den man — stok. De vrouw kocht ■—
stoel. Aan dien stoel ontbrak — poot. De timmer-
man maakte er — poot aan. — boer ging met —
os naar de markt. Onderweg ontmoette hij —man
met — ezel. God heeft — leeuw en — tijger
klauwen en tanden gegeven. — olifant kan kunstjes
leeren. Men mest —os dikwijls met spoeling.
Bij de kachel gebruikt men — pook. In — tuin
staat — boom; aan — boom is — stam; aan
— stam groeien takken. Aan — tak groeien bla-
deren. — beet — dollen honds is gevaarlijk. Piet
is — ijverige jongen en wordt eenmaal ■— knap
man. — haastig mensch moet op — ezel rijden.