Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
blik, dat gij terugkomt, (doen) het met zijne ver-
kwistingen. Eer de dag aanbreekt, (kraaien) de haan
driemaal. De jongens (volbrengen) hunne taak, voor
de onderwijzer in de school (treden). Die goede
daad (berouwen) hun nooit.
19.
Maak den verleden onvoltooid toekomenden tijd
der werkwoorden:
berijden scheren klikken teekenen
bereiden smeeren klinken rekenen
dragen bleeken blazen denken
klagen breken razen wenken
tobben slijpen draven gaan
toppen slepen graven bakken
20.
Plaats het werkwoord in den verleden onvoltooid
toekomenden tijd:
(Gelooven) gij wel, dat ik dien hond niet gaarne
(missen) ? (Brengen) de boer vandaag de eieren
niet? Dat (tegenvallen) ons zeer. Wij (gebruiken)
er zoo gaarne een paar bij ons ontbijt. (Beginnen)
dat feest niet den 4den April? Door al dat spelen,
(verzuimen) zij hunnen tijd en (kennen) zij hunne
lessen niet. Dan (straffen) de meester hen, bij het
examen (krijgen) zij geenen prijs en zij (blijven)
nog een jaar in dezelfde klasse. (Denken) gij, dat
het zoo wel (gaan)? (Afleveren) de schrijnwerker
zoo eene nieuwe tafel ? Dan (bestellen) ik niet meer