Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
15.
Maat den onToltooid toekomenden tijd der
■nrertTTOorden:
malen benijden kruipen zoeken
lachen glijden kruien vloeken
roepen doorlezen slaan baden
snoepen rapen staan raden
erven slapen bidden koopen
sterven doen binden beloonen
16.
Plaats het werkwoord in den onyoltooid
toekomenden tijd :
. Het stoomschip (varen) naar Oost-Indië. Zij (laden)
het te Rotterdam en wij (zorgen), op den bepaalden
tijd gereed te zijn. (Nemen) gij nog afscheid van
al onze vrienden? Zooveel mogelijk (bezoeken)
hen, maar het (vallen) ons moeilijk. De laatste drie
dagen (hpuden) ■«ij ons verblijf te Rotterdam, in de
hoop, dat vele onzer vrienden ons daar nog (op-
zoeken). Gij (schrijven) zeker spoedig naar Holland?
Terstond na onze aankomst (zenden) wij een uit-
voerig bericht van onze reis. (^Yorden) gij dadelijk
geplaatst, of (krijgen) gij nog eenige dagen vrijaf ?
"Wij (vervoegen) ons dadelijk bij onzen oom en
die (handelen) met ons , zooals het 't beste (zijn).
Het (zijn) voor onze ouders een groot gemis. Zij
(troosten) zich met de gedachte, dat gij goed (op-
passen) en het u dan goed (gaan). Wanneer terug-
keeren) gij ? Dat (duren) wel een jaar of drie; onze