Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
13.
Maak den Toltooid Terleden tijd der Tverkwoorden
in Ko 8.
14.
Plaats liet werkwoord in den Toltooid Terleden tijd :
Al dikwijls (vragen) ik hem, of hij het geld (ont-
vangen), maar nog nooit (geven) hij een voldoend
antwoord. Dacht gij, dat ik het (doen)? (Vragen)
hij het u dan ? Hij (beloven) het mij reeds meer-
malen, maar (komen) nog nooit. (Verslapen) gij u?
Ja, wij (vergeten) den wekker te bestellen. De
boeren (vragen) telkens, of de jongens de schapen
niet (zien). (Loopen) die schapen weg? (Staan) het
hek dan open ? Ja, een ondeugende jongen (openen)
het en (wegloopen) toen gauw. Toen de koetsier
het paard (inspannen), stapten de heeren in het
rijtuig. Mijn broeder (terugkomen). Ik (verwachten)
dat wel. (Regenen) het nog? Neen, het (dauwen)
wel heel sterk. De kinderen (maken) hunne schoenen
nat, doordat zij door het natte gras (loopen). En
de meid (poetsen) ze-al nog zoo mooi. Alles (afloopen),
zooals ik wel (verwachten). Ik (hooren) van vader,
dat de dokter (meegaan), omdat de benauwdheid
der zieke (toenemen). Mijn oom (schrijven) hem,
dat zij eene voorspoedige reis (hebben). Wij (gooien)
de sneeuw, die dien nacht (vallen), op hoopen. Voor
de meeste huizen (banen) al een pad. De politie
(gelasten) dit en dadelijk (tijgen) iedereen aan het
werk.