Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
(waarschuwen) hem dikwijls, maar neef (luisteren)
daarnaar niet. Zes weken geleden (stelen) hij eenen
gulden uit de lade en toen (losbarsten) de bom.
Die ongelukkige jongen ! (Vatten) hij al ? Ja, wel
ongelukkig ! Hij (schoppen) zijne fortuin met voeten.
Gelukkig (sterven) zijne ouders reeds lang en (zien)
zij dus niet, dat hun zoon naar de gevangenis (voeren).
11.
Gisteren (zetten) moeder de kachel. Welke kachel
(zetten) zij ? Onze meid (krijgen) daarbij bijna een
ongeluk. Zij (glijden) van de trap; gelukkig (grijpen)
zij zich nog aan de leuning. Wij (schrikken) er
allen van. (Helpen) de smid nog? Ja, ik (roepen)
hem, maar hij (insteken) alleen de pijpen. (Branden)
de kachel gisteravond nog? De meid (aanmaken)
haar, maar wj (opscheppen) maar twee keeren.
Toen (uitgaan) zij weder, want de winter (beginnen)
eigenlijk nog niet. (Vegen) de schoorsteenveger den
schoorsteen wel, voor moeder de kachel (zetten) ? Ja,
vader (gelasten) het hem. Verleden jaar (doen) hij het
niet; toen (komen) er brand door. Vader (worden)
daardoor voorzichtiger. (Zien) gij onze kachel al?
(Koopen) uw vader dan eene nieuwe ? Ja, de oude
(springen) verleden jaar, die (verkoopen) vader maar,
want de smid (oplappen) haar al zoo dik-wijls.
12.
Maak den Toltooid verleden tijd der werkwoorden
in Kg. 5.