Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
Plaats het werkwoord in deu yoltooid
tegemvoordigen tijd:
9.
(Vallen) die knapen niet door het ijs ? Hoe (komen)
zij er af? (Verdwijnen) die koopman niet met de
noorderzon ? Midden op den weg (zijgen) die arme
man ineen ; zijne vrouw (vlieden) spoedig naar de
stad om den geneesheer. (Bevriezen) het water in
de ton ? De lieve lente met hare bloemen (verschij-
nen) gelukkig weder. Dat brood (bekomen) mij niet
best: het (rijzen) te veel. Er (overschieten) nog
wel de helft. Die arme man (sterven) bijna van
schrik. Haar zoon (vertrekken) verleden jaar naar
Amerika. Daar (worden) hij ernstig ziek. Het aan-
gevaren schip (zinken) met groot geraas ; de kapitein
(opblijven) er zoo lang mogelijk. Wat (slinken) die
spinazie toch! (Groeien) alles nogal in den tuin
sedert mijn vertrek?
lO.
(Hooren) gij ook van het ongeluk, dat gister-
avond (gebeuren), Jan ? Neen, Piet! ik (wezen) naar
Rotterdam, ten 8 ure (komen) ik thuis en toen
(gaan) ik naar bed. ^laar wat (gebeuren) er dan?
Wel, het huis van den bakker (afbranden). Hoe
(komen) dat ? Vader (wezen) er en die (vertellen),
dat de neef van den bakker het (aansteken). (Hebben)
de bakker dan ongenoegen met zijnen neef ; vroeger
(wonen) hij er toch als knecht ? Die neef (wegjagen),
omdat hg zijnen oom (bedriegen). De bakker